De H.C. Huth ‘Hawthorn’ gemberpot

Ons familielid Leon Serne wordt genoemd in een hele bijzondere geschiedenis. Deze geschiedenis draait om een oude Chinese gemberpot.

De Kop van Jut (een moord in Den Haag)
Het verhaal begint echter bij Hendrik Jut. De naamgever van “de kop van Jut”. “De kop van Jut” is een toestel dat bestaat uit een hefboom waarvan het uiteinde door een sterke veer omhoog wordt gehouden. Door er met een hamer op te slaan, wordt de veer ingedrukt en komt het andere uiteinde van de hefboom omhoog. Daarop ligt een gewichtje dat omhoog wordt geschoten en langs een rail omhoog glijdt. Slaat men hard genoeg, dan komt het gewichtje tot bovenaan en slaat het tegen een bel aan. De attractie ontstond omstreeks 1876, toen het nieuws beheerst werd door Hendrik Jut, die in 1872, samen met zijn vrouw Goedvolk, de rijke weduwe Maximiliana Theodora van der Kouwen-ten Cate en haar dienstmeid Leentje Beeloo had vermoord.

Hendrik Jut (1851-1878)

Dagenlang was Den Haag in rep en roer. Een verdachte werd gearresteerd en de volkswoede richtte zich op hem. Hij probeerde zich in zijn cel op te hangen. Daarna werden nog twee personen opgepakt, maar eind 1873 moest de politie hen alle drie laten gaan.
Jut en Goedvolk trouwden op 19 februari 1873. Ze vertrokken naar New York, verkochten de sieraden voor 320 dollar en verzilverden de effecten voor ruim tienduizend dollar. Ze keerden al na twee maanden terug. Maar het paar kende geen rust. In februari 1874 vertrokken de Juts naar Zuid-Afrika en in de herfst van dat jaar keerden ze opnieuw terug naar Nederland. Ze vestigden zich in Rotterdam, waar Hendrik een koffiehuis kocht.

In april 1875 praatte Jut zijn mond voorbij tegen een zekere Jan Roelfs, die zich had afgevraagd hoe het kwam dat hij zo rijk was. Al snel werden hij en zijn vrouw gearresteerd. Bij huiszoeking werd als onomstotelijk bewijs een brief gevonden die de vermoorde weduwe bewaard had van wijlen haar echtgenoot. De media-aandacht was enorm en Jut werd in de kranten gepresenteerd als de grootste, meest gewetenloze moordenaar uit de geschiedenis. In alle Haagse etalages konden de portretten van de “monsterlijke daders” worden bewonderd en in de boekhandel waren verschillende brochures over de zaak verkrijgbaar. De zaak trok niet alleen zoveel aandacht door de gruwelijkheid van de moord, maar ook door het gevoel van onveiligheid: het had 2½ jaar geduurd voordat de daders gevonden waren.

Uitspraak in het moordproces werd gedaan op 6 mei 1876. Jut werd bijgestaan door de advocaat Pieter Cort van der Linden, de latere voorzitter van de ministerraad. Hij kreeg levenslang voor dubbele moord. Veel mensen vonden dat niet genoeg. Zij wensten voor Jut de doodstraf, maar die was in 1870 afgeschaft. Uit angst voor een lynchpartij werd hij overgebracht naar de strafgevangenis van Leeuwarden, waar hij twee jaar later op 26-jarige leeftijd overleed.

Henri Hangjas-Duveen
Onder het bezit van mevrouw Van der Kouwen was een Chinese Hagedoom-gemberpot geweest die na eindeloos geharrewar over juridische details door Henri Hangjas-Duveen, was gekocht. Kort daarna werd Henri door een zwaar onweer overvallen en regende door en door nat. Hij werd ziek, het werd tyfus en in zijn korte ziekte ijlde hij steeds over een Hagedoorn-pul en andere kostbare stukken, die overal in Europa bij agenten verspreid waren. Hij stierf kort daarna en liet zijn vrouw met vijf kinderen achter. Waar die gemberpot was, die minstens f 12.000 waarde had, bleef een raadsel. Er was geen spoor van te vinden. In de doorweekte kleren waren alleen wat half onleesbare aantekeningen te vinden.

Veiling van de Henry Huth collectie

Afbeelding van de gemberpot die in dit stuk genoemd wordt. (bron: How to identify old chinese porcelain, Mrs. Willoughby Hodgson (1907), Londen)

De zoon van Henri, Joseph H. Duveen, had als jongen vaak over dat verdwenen goed gehoord, en vooral over die kostbare pul. Pas vijf en twintig jaar later, op de veiling van de Henry Huth-collectie bij Christie, stelde oom Joël, Joseph, voor aan Mr. Grego, welbekend als kunstenaar en verzamelaar, en toen hij uitlegde wiens zoon ik was, keek Grego mij verbaasd aan. Wat een toeval!” zei hij. Hij nam ons ter zijde en vroeg mijn oom: “U herinnert u toch die Hagedoorn-pul nog die Henry had?” Ik spitste mijn oren. Eindelijk zou het oude geheim opgehelderd worden! “Die is vandaag hèt stuk van de veiling!” zei Grego. “Ik heb ze goed bekeken, en ik herinner me elk vlekje op die pul. Henry en ik hebben er vroeger samen zoo vaak naar zitten te kijken, dat ik me niet vergissen kan. Ik heb later vaak gedacht waar ze gebleven kon zijn, maar nu begrijp ik het.

Er was een Hollandse barbier in Soho, Serné, die uw vader vaak als factotum (= klusjesman) gebruikte. En die moet haar in bewaring gehad hebben, want ik weet dat Huth, of zijn agent, ze van hem kocht, voor een paar shilling. Kort daarna, verkocht Huth mij een andere, die hij al jaren had. Hij had er geen twee nodig, zei hij. Henry had mij alles van die moord historie verteld en ik geloof dat er een noodlot op de pul is blijven rusten, want de barbierswinkel brandde af, en twee kinderen lieten er het leven bij. Serné werd veroordeeld wegens brandstichting. Als hij geweten had wat die pul waard was, zou hij misschien zijn eigen huis niet in brand hebben gestoken.”

Een half uur later kwam de pul in veiling en na een Homerische strijd tussen Bob Partridge en oom Joël kocht de eerste hem voor 5900 pond, wat, zoals hij later toegaf, veel te duur was. Later verkocht Partridge hem aan den eersten Lord Astor en die prachtige pul met haar tragische historie staat nu in Hever Castle.

Bovenstaande tekst komt uit het boekje “Kunstschatten en Intrige”, anderhalve eeuw kunst koopen, J.H. Duveen, Amsterdam (1935). Ik heb het qua Nederlands een beetje aangepast en er kopjes bij gezet in de tekst.

Na deze geschiedenis ben ik verder gaan zoeken naar deze gemberpot. Ik besloot om een e-mail te sturen naar Hever Castle.
19 februari 2016 kreeg ik het onderstaande antwoord:

Dear Mr Serné,

Your query in regards to a Hawthorn Ginger Jar was passed onto me in the hope that I could help. Due to a devastating flood in 1968 we lost the vast majority of our invoices/records; so we usually do not have the information that would enable us to aid searches such as yours. Though I am pleased to say that in this case I managed to find a mention of the jar in one of the few inventory lists that was saved and I have attached a picture of the entry. It says that the Jar was bought through Partridge for £3000 and sold in 1903 for £5600 at a Christie’s auction.

Regards,

Alison Palmer
Conservation & Engagement Assistant
HEVER CASTLE

detail “inventory list” Hever Castle

De gemberpot heeft dus de volgende eigenaars gehad:

  1. De rijke weduwe Maximiliana Theodora van der Kouwen-ten Cate
  2. Henri Hangjas-Duveen. Deze levert de gemberpot af bij zijn “factotum” Serne.
  3. Serne verkoopt de gemberpot voor een paar shilling aan Henry Huth
  4. De gemberpot wordt, 25 jaar later, op een veiling bij Christie’s door Bob Partridge gekocht voor £5900
  5. 1st Lord Astor koopt de gemberpot van Partridge voor £3000. Hierdoor komt de gemberpot in de collectie van Hever Castle
  6. In 1903 wordt de gemberpot door “Hever Castle” verkocht via een veiling bij Christie’s voor £5600
  7. Wie de gemberpot in 1903 heeft gekocht is mij (nog) niet bekend. Of de gemberpot nog bestaat en waar hj zich dan bevindt is mij dus ook niet bekend.

Nog een ontdekking!
Leendert Serné (de factotum) was de neef in de zevende graad van Henri Hangjas-Duveen. Hun gemeenschappelijke voorouders zijn Mattheus Abrahams en Martijntgen Adriaensz.
De overgrootmoeder van Henri heette Jansje Serné. Ze was getrouwd met Jan Miezerus. Zeer waarschijnlijk wisten ze dit niet van elkaar. Mogelijk dat de achternaam van Leendert, bij Henri een lichtje deed branden. We zullen het nooit weten…