Kostuums van A. Serné & Zoon

Af en toe ontvang ik e-mails van mensen die kostuums van A. Serné & Zoon in hun bezit hebben. Sommige van hen willen zelfs proberen, via deze website, kledingstukken te verkopen. Dat laatste doe ik niet. Ik heb tenslotte geen webwinkel. Ik vind het wel leuk om de foto’s van de verschillende Kostuums hier te laten zien:

Stuk nr. 1

ASZ-COST01-01

bron: Gary L. Haas, Florida (USA)

ASZ-COST01-02

bron: Gary L. Haas, Florida (USA)

ASZ-COST01-03

bron: Gary L. Haas, Florida (USA)

ASZ-COST01-04

bron: Gary L. Haas, Florida (USA)

ASZ-COST01-05

bron: Gary L. Haas, Florida (USA)

 

Stuk nr. 2

bron: Josepha Dukatova (Tsjechië)

bron: Josepha Dukatova (Tsjechië)

bron: Josepha Dukatova (Tsjechië)

bron: Josepha Dukatova (Tsjechië)

 

Stuk nr. 3
Een origineel uniform van een ambassadeur uit Perzie. In prachtige staat, gemaakt in Parijs omstreeks de eeuwwisseling (circa 1900).
Bron: Rens Wiegeraad

Godfried Bomans en Serné

Godfried Bomans (1913 – 1971) heeft ook in een kort verhaal de firma Serné genoemd. Het verhaal heet ‘Geloofwaardig bedrog’ en werd voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘Pokkenvrij de lucht in & andere reisverhalen’.

Geloofwaardig bedrog
En hier zijn we dan weer in Bath, wat uitgesproken wordt alsof men de hele wereld met de diepste verachting uit­spuwt: Bath. Al ruim drie eeuwen het trefpunt van alle snobs; dat prachtige Engelse gewas, dat in Beau Nash zijn hoogste bloei bereikte. Nash heeft hier trouwens een stand­beeld gekregen en terecht, want hij was de niet te evenaren laat staan te overtreffen super snob van alle tijden, die liever gestorven was dan zijn kousen door een pluisje ontsierd te zien. Toch is een snob geen fat, nog minder een dandy. Een dandy is uit verachting samengesteld. Hij verwerpt ieder­een, hoog en laag, een snob beperkt zich tot het laatste, streven echter doet hij naar het eerste. Hij is een man op weg, terwijl de dandy er al is. Beiden zijn lachwekkend, maar de snob is in elk geval dynamisch. Hij probeert voor­uit te komen. Waarheen?

Het is deze vraag, die een man als Thackeray zijn hele leven heeft beziggehouden. In onze dagen is het George Mikes, die er zijn krachten aan besteedt. De grote theore­ticus van het verschijnsel is natuurlijk Arthur Koestier, maar laten we het ons niet te moeilijk maken. Het woord snob is eenvoudig afgeleid van Sine nobilitate, dit is: niet van adel. Afgekort als s.nob, en ten slotte als snob uitgesproken kreeg het de betekenis van een aanbidder van adellijke titels, tot het eindelijk in de Oxford Dictionary als volgt wordt om­schreven:

‘Mensen met een overdreven respect voor sociale positie of rijkdom en de neiging om zich te schamen voor in hun ogen inferieure connecties. Ze gedragen zich onderdanig tegenover degenen, die hoger op de maatschappelijke ladder staan en leggen bij het beoor­delen van verdiensten een uiterlijke maatstaf aan.’

Vooral dit laatste is belangrijk. De snob gaat op de schijn af. Nu is de man, die op het wezen afgaat, een zeldzame ver­schijning en hieruit zou dan volgen, dat de mensheid voor het merendeel uit snobs bestaat. Deze conclusie is juist. Als wij snobisme begrijpen als het verlangen om tot een klasse te behoren, waartoe men niet behoort, dan is de wereld vol met snobs. Het gebrek aan leerkrachten bij het middelbaar onderwijs komt niet voort uit het onbedwingbaar verlangen om te weten, maar om vooruit te komen. Een academische titel is voor de meeste ouders een statussymbool. De wereld zou eenvoudig stil staan zonder deze milde vorm van snobisme, maar Bath is verder gegaan. De hele stad is één façade, schitterend, verblindend en zo ostentatief leeg, dat het daardoor een nieuwe inhoud kreeg. Want architecto­nisch kan het snobisme tot prestaties komen, waar men toch een ogenblik versteld van staat. De pretentie van iets te zijn kan namelijk in steen zeer bevredigend worden uitgedrukt en misschien vormt de bouwkunst het enige terrein waar de menselijke hypocrisie tot resultaten voert, die in zich aan­vaardbaar zijn.

Het bijzondere van de architectuur, waardoor ze zich van andere kunsten onderscheidt, is dat ze de leugen hanteren kan. Op alle andere terreinen voert dit onherroepelijk tot onwaarachtigheid. De architectuur echter kan ‘pralen’. Men krijgt dan niet het hoogste, zoals de kathedraal van Chartres of het Parthenon. Iedereen voelt, dat daar de schoonheid een bijproduct is van een daaronder liggende gedachte, ’n toegift op iets anders, waarom ’t eigenlijk begonnen was. Maar men krijgt toch Versailles. Het is de merkwaardige prestatie van de achttiende eeuw geweest, dat ze de gratie, die vroeger was voortgekomen uit een daarachter staande en onzichtbare confectie, daarvan wist los te maken en als het ware te isoleren. Het resultaat is dan een sierlijke leegte, die zonder bijgedachten genoten wil worden en inderdaad als zodanig te savoueren is.

Er overkomt u iets vlinderachtigs, wanneer u door Bath loopt. Die mensen hebben héél licht geleefd en van die licht­heid iets breekbaars gemaakt, dat merkwaardigerwijs is blijven staan. U wandelt door een fraai gestolde leugen en ziet, u gaat erin geloven, omdat uit de pretentie van iets te zijn alleen de architectuur wat maken kan. Het is bellen blazen in steen, fraai, hol en toch net niet gebarsten, omdat juist die leegte gewild was. Het is geen mislukking gewor­den, omdat het om die schijn begonnen was. Het pretendeert niet geen pretentie te zijn. Bath kan uit een leugen zijn voort­gekomen, maar het is daar niet de dupe van. De hele stad is een oprechte onwaarheid.

Helemaal onwaarachtig zijn alleen de mensen. Het decor veronderstelt zo nadrukkelijk een daarbij passende kleder­dracht, dat de toeristen, die daar toch het enige echte zijn, er vals aan doen. Zo ook de inwoners. Men krijgt de indruk van een historisch toneelstuk, dat bij vergissing gespeeld wordt door een verkeerde troep. De rijkbewerkte deur van zo’n onnodig versierde gevel opent zich en kijk, daar komt niet een bepruikt en bepoederd heertje uit dat op de stoep een snuifje neemt, maar een nerveus zakenman, die haar hard achter zich dichtslaat en recht op zijn geparkeerde auto toe loopt. Het volgend ogenblik stuift hij heen. Dit is niet alleen jammer, het lijkt mij ook ongeoorloofd.

Als ik het in Bath voor het zeggen had, dan zou ik zulke gedragingen verbieden. Ik zou bij Serné de volstrekt on­nodige kleren bestellen, die in de gevels reeds architecto­nisch zijn uitgedrukt en die dan gratis uitdelen. Wie deze huisjes weigert aan te trekken, krijgt een vestigingsvergun­ning voor Liverpool. De auto’s kunnen met enige toeslag worden ingeruild voor draagstoelen, de piano’s voor spinetten en de echtgenoten voor maîtressen. Na deze maatrege­len zou ik mij door chantage en omkoperij tot burgemeester doen benoemen en alles in het werk stellen om aan de on­waarachtigheid van mijn gemeente ook het mistekende beeld toe te voegen, dat wij van het leven in de achttiende eeuw bezitten.

Simon Carmiggelt en Serné

‘Poespas’ (eerste druk 1952) bevat observaties van de schrijver Simon Carmiggelt (1913 – 1987) over zijn geliefde huisdier de poes.

Op pagina 106 verschijnt de naam van een bekend toneelcostuumverhuurbedrijf…

Deze tip kreeg ik van Rodolphe Serné

A. Serné & Zoon Costumiers

De firma A. Serné werd in 1866 opgericht door Arend Serné en zijn vrouw Helena van Hoekelen, die beiden enthousiaste amateur-toneelspelers waren. Ze hadden er veel genoegen in zelf hun toneelcostumes te maken en requisieten te timmeren, wat Arend als beroepstimmerman gemakkelijk af ging. De gemaakte costumes werden zorgvuldig bewaard, de voorraad aangevuld door de koop van uniformen, wapens en dergelijke. Er bleek al gauw bij andere amateurs een grote behoefte te bestaan aan costumes. Zo was de start voor een verhuurbedrijf gemaakt.

De voorraad groeide snel, zodat langzamerhand ook beroepsgezelschappen gemakkelijk hier hun keus konden maken. De operette, het Rembrandt theater, het gezelschap van Prot, om enkele te noemen, waren vaste klanten. Rond de eeuwwisseling kenden de studentenmaskerades een grote bloei; veel costumes werden in opdracht gemaakt naar tekeningen van Anton Molkenboer en bleven in het bezit van de studenten.Maar ook een aantal werden in huur gemaakt en zorgde voor een snellere uitbreiding. Daarnaast was ook het balmasqué een zeer geliefd amusement, waar met veel fantasie costumes voor werden gemaakt.

Om de concurrentiepositie te verbeteren maakte de firma Serné graag costumes naar tekeningen van de costume-ontwerpers. Daardoor kreeg de verzameling een bijzonder cachet. Veel costumes werden in huur gemaakt, andere in opdracht voor de verkoop. Omdat de gezelschappen financieel noodlijdens waren en weinig subsidie kregen, ging er nog wel eens een ensemble failliet en kocht de firma zijn eigen costumes weer terug.

Naast toneelvoorstellingen was het ook druk met de costumering van allerlei evenementen: Briels gaf stadionspelen, in 1948, de kroning van Juliana, “Wie wint de pot?” (een soort ganzenbord), opera en ballet voorstellingen in het park van Apeldoorn. De laatste grote optocht was in 1955 in Den Haag: Nederland tien jaar bevrijd. Alleen sinterklaasoptochten in Heerlen, Hilversum en Amsterdam hebben zich kunnen handhaven.

Het verlies van de Nederlandse Comedie als klant werd gelukkig in de zestiger jaren opgevangen door de groeiende Televisie. oor de grote producties van de verhalen van Couperus, Guy de Maupassant en Baccacio, De geschiedenis der kleine Luyden, Willem van Oranje, moesten ook veel costumes tevoorschijn komen. Film en Televisie bestrijken grotere lokaties dan het toneel en moeten gestoffeerd worden met veel volk.

In 1990 werd een begin gemaakt met de opheffing van de zaak. De Nederlandse Opera kocht regelmatig costumes en in 1993 een collectie zwaarden van honderdtwintig stuks. Via deze relatie ging er nog iets naar Berlijn, Wenen en Brussel. Het pakhuis werd te koop aangeboden en ging op 17 augustus 1994 over in handen van een stichting met het doel het op te delen in appartementen.

bron: fragmenten uit “De firma A. Serné & Zoon in arendsvlucht” door Arend Serné (Amsterdam, 1995)

 

Dit is een “nekmerkje” uit een kostuum dat Rodolphe Serné op de kop wist te tikken.
bron: Rodolphe Serné



bron: Gemeentearchief Amsterdam
Groenburgwal 56 te Amsterdam was jarenlang het pand van A. Serné & Zoon. Deze foto is gemaakt op 6 januari 1956.



Tekstboekje met Illustraties van Alfaro.
Eenige Zangnummers en de Korte Inhoud van Truytgen van d’ Noordermarckt. Amsterdam Ao. 1638. Operette in 3 Bedrijven door G.H.Felix vrij bewerkt naar een uitheemsch onderwerp. Muziek gecomponeerd en georchestreerd door Serpette en J.Martin S.Heuckeroth, met gebruikmaking van de Oudhollandsche zangwijzen uit Valerius ‘Gedenck-klanck. Nieuwe Décors van Gustave Prot & Zoon, naar originele prenten.
Nieuwe Costumes van A.Serné & Zoon, naar teekeningen van Alfaro. Regie van Pmerot Jr. (Amsterdam, zonder uitgever en jaartal). Hlinn. 22p. – Hoogst zeldzaam Thymiana. Zie Jaarboek Amstelodamum nr. 43 / 1948, “Vondel bij Prot gehuldigd” van Ba.Wolterson. Alfaro is Aug. Reyding. G.H.Felix is Alberdingk Thijm. |
Antiquariaat De Friesche Molen: fl. 450,-
bron: (d.d. 7 oktober 2000)



bron: CBG: Algemeen Politieblad (1893)

bron: Algemeen Handelsblad , 9 augustus 1916 (via http://kranten.kb.nl)

 

sluitzegels

Sluitzegel n.a.v. 50 jaar bestaan van A. Serné & Zoon (1866 – 1916)