Serne ontmoet Serné

 

portretten van Serné bij Koninklijke Joh. Enschedé (1879)

Onderstaande portretten zijn gemaakt door Jacques Chits. Op de beeldbank van het Noord-Hollands Archief zijn deze portetten van alle personeelsleden van Koninklijke Joh. Enschedé te vinden. Ze zijn gemaakt in 1879.

 

vco-1876-06-08-001

krantenbericht 8 juni 1876

vco-1876-06-08-002

krantenbericht 8 juni 1876 (vervolg)

Bron: Haarlem’s Dagblad (5 augustus 1920)

Bernardus Serné (1847 – 1909)

Portret voor het Gereformeerd weeshuis op het Groot Heiligland (1901)
Bron: Noord-Hollands Archief

Bernardus Serné is geboren op 18-02-1847 in Haarlem, zoon van Bernardus Serné en Jenneke Riesseler. Beroep: onderwijzer. Bernardus is overleden op 26-07-1909 in Haarlem, 62 jaar oud. Bernardus:

(1) trouwde, 33 jaar oud, op 25-08-1880 in ’s-Gravenhage met Maria Margaretha Jeannette Koentz, 28 jaar oud. Maria is geboren op 07-09-1851 in ’s-Gravenhage. Maria is overleden op 26-04-1889 in Haarlem, 37 jaar oud.

(2) trouwde, 42 jaar oud, op 27-12-1889 in Schagen met Marijtje Denijs, 35 jaar oud. Marijtje is geboren op 05-09-1854 in Schagen. Beroep: (hoofd)onderwijzeres. Marijtje is overleden op 02-04-1931 in Haarlem, 76 jaar oud.

In stukken van de Tweede Kamer wordt van 1890 tot 1911 Bernardus Serné diverse malen genoemd. In het bijzonder in de begrotingen van het Departement van Binnenlandsche Zaken. Bernardus wordt als regent genoemd van het Gereformeerd weeshuis aan het Klein Heiligland te Haarlem. Ook het aantal kinderen werd in deze stukken genoemd. Het varieerden van 35 (in 1895) tot 57 (in 1907) kinderen.

Na zijn overlijden in 1909 kreeg zijn weduwe M. Denijs een pensioen van fl. 665,- per jaar. Dit wordt vermeld in de begroting van 1910-1911.

Johannes J. Sernee (1850 – 1929)

Op 1 april 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, met als doel armlastige Nederlanders door boerenarbeid te verheffen. In datzelfde jaar werd op het landgoed Westerbeeksloot, gemeente Vledder, de kolonie Frederiksoord gesticht, later gevolgd door Willemsoord en Wilhelminaoord. In deze koloniën werden hoeves gebouwd waar geselecteerde gezinnen uit heel het land geplaatst werden. De Maatschappij verkreeg daarnaast het vruchtgebruik van de vesting Ommerschans, die in eerste instantie gebruikt werd om zich misdragende kolonisten op te sluiten. Kort daarna werden de vrije koloniën aangevuld met onvrije koloniën, toen het bestuur van de Maatschappij contracten afsloot met de overheid voor de opvang van weeskinderen, landlopers en bedelaars. In de buurschap Veenhuizen, gemeente Norg, verrezen drie gestichten (Veenhuizen I, II en III), terwijl ook de Ommerschans inmiddels gebruikt werd voor de huisvesting van bedelaars. Veteranen en arbeidershuisgezinnen, uit eigen beweging gekomen, bewoonden de huizen aan de buitenzijde van de gestichten. Toen de Maatschappij van Weldadigheid in 1859 financieel aan de grond zat, werden de gestichten (Veenhuizen I t/m III en de Ommerschans) overgenomen door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Later, in 1875, nam het ministerie van Justitie het beheer over en werden de gestichten officieel Rijkswerkinrichtingen. Het (deels) vrijwillige karakter verdween, evenals de vrouwen, die werden overgeplaatst. Vanaf de Eerste Wereldoorlog kreeg de status van penitentiaire inrichting langzamerhand de overhand. Veroordeelde smokkelaars en Belgische vluchtelingen waren de eerste vreemde bewoners, maar ook gevangenen met andere vergrijpen dan bedelarij en landloperij op hun kerfstok, werden in Veenhuizen geplaatst.
[bron: DrenLias]

Op 16 oktober 1899 werd Johannes Jacobus Sernee opgenomen in Veenhuizen I wegens landloperij in ‘s-Hertogenbosch. Hieronder zijn Signalement-Kaart met een pasfoto. Opmerkelijk karakteristieke trek is dat hij hardhorend was.